In een ouder huis woont vaak meer dan alleen de familie. In de spouw hangen vleermuizen, onder de pannen nestelen huismussen en in een opening bij de daklijst verdwijnt een gierzwaluw. Zolang u niets aan dak of gevel doet, merkt u daar niets van.

Zodra u dat wel doet, worden deze drie soorten belangrijk. Ze spelen bij een groot deel van de bouwprojecten in Brabant een rol, van jarendertigwoningen in de steden tot oude boerderijen op het platteland. Hieronder leest u waar ze zich ophouden, welke werkzaamheden hen raken, hoe het onderzoek in zijn werk gaat en wat er gebeurt als ze er echt blijken te wonen.

Waarom deze soorten in bebouwing leven

Van oorsprong zocht een vleermuis zijn rustplek in een holle boom. Zulke bomen, vol spleten en oude spechtengaten, zijn in ons landschap zeldzaam geworden. Een woning vult dat gat op: achter een spouwmuur vindt het dier een nauwe, donkere en droge ruimte waar de temperatuur weinig schommelt.

Bij de huismus en de gierzwaluw werkt het op dezelfde manier. Beide vogels nestelden ooit in rotswanden en natuurlijke holtes, en een pannendak is voor hen het stedelijke alternatief. Daarom vindt u in nieuwbouw en in strak gerenoveerde panden veel minder van deze dieren. De kieren en gaatjes waar zij op aangewezen zijn, ontbreken daar simpelweg.

De plekken in dak en gevel

Vleermuizen wringen zich in smalle, beschutte holtes, bijvoorbeeld:

  • in de spouwmuur, binnengekomen via een open stootvoeg of een spleet langs het kozijn
  • tussen de dakpannen en het dakbeschot
  • achter houten betimmering, boeiboorden of gevelbekleding
  • achter windveren en daklijsten

Een gat van enkele centimeters volstaat al. Het komt dan ook voor dat een pand jaren achtereen een belangrijke rol voor vleermuizen speelt zonder dat de eigenaar er weet van heeft. Daar komt bij dat de dieren één gebouw door het seizoen heen op verschillende manieren gebruiken: 's zomers als kraamverblijf, in het najaar als paarverblijf en in sommige gevallen ook om te overwinteren.

Huismussen kiezen beschutte holtes in het dak of de gevel, met een voorkeur voor de ruimte onder de pannen aan de dakrand. Gierzwaluwen gebruiken juist hooggelegen, lastig bereikbare openingen onder daklijsten en in de dakrand. Beide soorten broeden graag in kleine groepen, zodat er in één gebouw al snel meerdere nesten zitten.

Bescherming die het hele jaar doorloopt

Bij de meeste vogelsoorten is het nest alleen beschermd zolang het gebruikt wordt, oftewel tijdens het broedseizoen. Een kleinere groep soorten heeft een nestplaats die twaalf maanden per jaar beschermd is. Daartoe behoren de huismus en de gierzwaluw.

Dat heeft een duidelijke achtergrond. Deze vogels komen elk jaar terug naar exact dezelfde nestplek, en geschikte alternatieven zijn voor hen moeilijk te vinden. Sluit u in de winter de opening af, dan staat de vogel in het voorjaar voor een dichte deur.

Voor uw planning betekent dit dat werken buiten het broedseizoen geen uitweg biedt. De bescherming blijft gewoon gelden. Voor vleermuizen is dat niet anders: ook een verblijfplaats waar op dat moment geen dier zit, valt onder de bescherming.

Ingrepen die deze dieren raken

Het risico zit vooral in werk dat de verborgen holtes verandert of dichtmaakt:

  • Spouwmuurisolatie achteraf. Wanneer de spouw wordt volgespoten, kunnen dieren die er zitten worden ingesloten. Geen enkele ingreep brengt meer risico met zich mee.
  • Werk aan het dak. Nieuwe pannen, een nieuw dakbeschot of extra isolatie halen verblijf- en nestplaatsen weg.
  • Gevelrenovatie en gevelisolatie. Een nieuwe gevelbekleding dicht toegangen af, ook als het in uw ogen alleen om een cosmetische aanpassing gaat.
  • Sloop. Hierbij verdwijnen verblijf- en nestplaatsen voorgoed.

Weet u niet zeker of uw project in dit rijtje past, kijk dan bij quickscan flora en fauna. Daar vindt u de complete lijst van werkzaamheden waarvoor in de regel onderzoek nodig is.

Van quickscan naar vleermuisonderzoek

Alles begint met een quickscan. Daarin bekijkt een ecoloog of uw gebouw kan dienen als verblijf- of nestplaats. In veel gevallen is dat niet zo, en dan is het onderzoek daarmee afgerond.

Ziet de ecoloog wel aanwijzingen, dan is aanvullend soortgericht onderzoek nodig. Dat volgt vaste protocollen, die bepalen op welke momenten en hoe vaak er waarnemingen worden gedaan. Juist dat bepaalt hoeveel tijd u kwijt bent:

  • Vleermuisonderzoek bestaat uit meerdere bezoeken in de avond en vroege ochtend, gespreid over voorjaar en nazomer. De ecoloog let op het moment waarop de dieren naar buiten vliegen en terugkeren, omdat daaruit blijkt welke functie het gebouw heeft. Zo'n onderzoek beslaat daardoor gemakkelijk een aantal maanden.
  • De huismus wordt vroeg in het voorjaar geïnventariseerd, wanneer de vogels hun territorium innemen.
  • De gierzwaluw volgt later, midden in de zomer, omdat deze soort pas laat uit Afrika terugkomt.

Aan deze protocollen valt niet te tornen. Houdt het onderzoek zich er niet aan, dan wijst het bevoegd gezag de uitkomst meestal af en ligt uw project alsnog stil. Welke stappen er na de quickscan allemaal kunnen volgen, leest u in flora en fauna onderzoek.

Als de dieren er echt blijken te zitten

Ook dan kan uw project in de meeste gevallen doorgaan, alleen in aangepaste vorm. Meestal heeft u een vergunning voor de flora- en fauna-activiteit nodig en neemt u maatregelen die de dieren sparen.

Voorbeelden zijn vleermuiskasten of neststenen die in de nieuwe gevel worden ingemetseld, een deel van de spouw dat open blijft, uitvoering buiten de gevoelige periode en een ecoloog die het werk begeleidt. Bij nieuwbouw of renovatie is zo'n voorziening goedkoop in te passen, zeker als u het afzet tegen een bouwstop halverwege het project.

Wij werken door heel Noord-Brabant, van Bergen op Zoom en Breda tot Tilburg, 's-Hertogenbosch, Eindhoven en Helmond. Vraagt u zich af of uw verbouwing of sloop gevolgen heeft voor deze soorten? Neem contact op via 077 369 01 99 of stuur uw plannen mee via contact. Hoe eerder u dat doet, hoe groter de kans dat het onderzoek nog in dit seizoen past.

Stel een vraag