Moet uw plan langs de natuurwetgeving, dan valt al snel het woord natuurtoets. Alleen bedoelt niet iedereen er hetzelfde mee: voor de één is het gewoon de quickscan, voor de ander de bredere toets die ook naar beschermde natuurgebieden kijkt. Of u met één onderzoek toe kunt of twee nodig heeft, hangt van dat verschil af.

In dit artikel leest u hoe die twee sporen samenhangen, wat de Omgevingswet van u verlangt, wanneer gebiedsbescherming een rol gaat spelen en welk loket waarover beslist.

Soorten en gebieden: twee aparte vragen

Met een natuurtoets beoordeelt u of uw plan botst met de regels voor natuurbescherming. Tot 2024 stonden die regels in de Wet natuurbescherming, inmiddels zijn ze ondergebracht in de Omgevingswet. Aan de inhoud is weinig veranderd: de beschermde planten en dieren zijn dezelfde gebleven, net als de verboden. Het verschil is dat de toets nu onderdeel is van het bredere traject van vergunningen en meldingen.

Binnen de toets zijn twee afzonderlijke vragen te onderscheiden:

  • Soortenbescherming. Heeft uw plan gevolgen voor beschermde planten of dieren, of voor de plekken waar zij verblijven, nestelen of groeien?
  • Gebiedsbescherming. Werkt uw plan door in een beschermd natuurgebied, ook wanneer dat op enige afstand ligt?

Bij de meeste bouw- en sloopprojecten binnen de bebouwde kom is alleen de eerste vraag aan de orde. In dat geval valt de natuurtoets in de praktijk samen met de quickscan flora en fauna.

De zorgplicht en de verboden

In de Omgevingswet staat een algemene zorgplicht. Die houdt in dat u alles doet wat redelijkerwijs van u verwacht mag worden om schade aan de natuur te voorkomen of zo klein mogelijk te houden. De zorgplicht geldt in alle gevallen, dus ook voor soorten die niet strikt beschermd zijn en ook als u geen vergunning hoeft aan te vragen.

Bovenop de zorgplicht gelden concrete verboden. Doorgaans is het niet toegestaan om:

  • beschermde dieren te doden, te verstoren of te vangen
  • nesten en rust- of verblijfplaatsen te beschadigen of te vernielen
  • beschermde planten te plukken of weg te halen

Wie deze verboden overtreedt, riskeert dat het project wordt stilgelegd en dat er handhavend wordt opgetreden. Vooraf voorkomen kost veel minder dan achteraf repareren, en daarvoor dient het onderzoek dat u vooraf laat doen.

Wanneer gebiedsbescherming meetelt

Bij dit spoor draait het niet om de soorten op uw eigen locatie, maar om de gevolgen van uw plan voor een beschermd gebied. Er zijn twee regimes die ertoe doen.

Natura 2000. Dit zijn Europees beschermde gebieden met vastgestelde instandhoudingsdoelen. In Noord-Brabant gaat het onder meer om de Biesbosch, de Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen, Kampina & Oisterwijkse Vennen, de Groote Peel, Deurnsche Peel & Mariapeel, Strabrechtse Heide & Beuven, de Brabantse Wal, Leenderbos, Groote Heide & De Plateaux en Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek. Uw plan hoeft niet in zo'n gebied te liggen om er gevolgen voor te hebben.

Het Natuurnetwerk Brabant. Hiervoor geldt provinciaal beleid van Noord-Brabant. Meestal wordt getoetst of de wezenlijke kenmerken en waarden van het gebied worden aangetast.

In grote lijnen komt dit spoor in beeld als uw project in of direct naast zo'n gebied ligt, als het stikstofdepositie veroorzaakt via bouwverkeer of een nieuwe bedrijfsactiviteit, als het de waterhuishouding beïnvloedt, of als het blijvend meer licht, geluid of beweging oplevert.

Voor een dakkapel of een gewone renovatie van een woning is dit niet aan de orde. Voor een bedrijfsuitbreiding, een grotere gebiedsontwikkeling of een ingreep in het buitengebied juist wel.

Eerst een voortoets, soms een passende beoordeling

Als gebiedsbescherming aan de orde is, start u met een voortoets. Daarin wordt nagegaan of significante effecten bij voorbaat kunnen worden uitgesloten. Is dat het geval, dan is dit spoor afgerond. Is dat niet zo, dan is een passende beoordeling nodig: een zwaarder onderzoek met een eigen procedure bij het bevoegd gezag.

Breng dit in een vroeg stadium in kaart. Komt een passende beoordeling pas halverwege het traject in beeld, dan kost dat veel meer tijd dan een voortoets aan het begin.

Welk loket beslist waarover

Hoe de taken verdeeld zijn, wijkt vaak af van wat initiatiefnemers verwachten. In hoofdlijnen:

  • De gemeente is doorgaans uw eerste aanspreekpunt en verleent de omgevingsvergunning voor het bouwen of slopen.
  • De omgevingsdienst verzorgt namens gemeente of provincie de inhoudelijke beoordeling en de handhaving.
  • De provincie is vaak het bevoegd gezag voor de soortenbescherming zelf en voor het Natuurnetwerk.

In werkelijkheid overlappen die rollen en hangt de verdeling af van de situatie. Een stevig onderbouwd rapport zorgt er vooral voor dat u bij het juiste loket direct het juiste antwoord krijgt, en niet maanden later nog een aanvullende vraag. Is er vervolgonderzoek nodig, dan leest u in flora en fauna onderzoek hoe dat verloopt.

Waarom dit in Brabant vaker speelt

Brabant telt veel stikstofgevoelige natuur: heides, vennen en hoogveenrestanten in de Kempen en de Peel, en natte natuur in de Biesbosch en rond 's-Hertogenbosch. Die gebieden liggen vaak dicht bij intensieve veehouderij en bij steden die blijven groeien. Daardoor is de kans dat het tweede spoor meespeelt hier groter dan in veel andere provincies. Bij iedere toets controleren wij daarom altijd beide sporen, ook wanneer op het eerste gezicht alleen het eerste lijkt te spelen.

Een overzicht van wat wij doen staat op de pagina diensten. Heeft u al een concrete locatie op het oog? Bel 077 369 01 99 of stuur het adres en uw plannen via contact. Wij laten u dan vooraf weten of u met één spoor uitkomt of met beide rekening moet houden.

Stel een vraag